Kijk eens wat ik heb

Samen met de directeur van mijn school zijn we op bezoek bij een basisschool. Zij werken intensief met tablets. Het bezoek is bedoeld om dit in de praktijk te zien. Er wordt een redelijk standaard ritme gevolgd die dag. Kopje koffie, praatje en presentatie, kijkje in de klas en een rondleiding. Geen spannende dingen dus. Het is wel leuk om via een app real-time je vragen die spelen op een ‘wall’  te delen. Maar daar wordt niet diep op in gegaan.

Tijdens de presentatie wordt ook verteld wat het werken met tablets teweeg brengt bij leerlingen. Zo zijn er leerlingen die apps aandragen bij de leraren. “En dat is nog maar het begin! Goeroes signaleren nu een duidelijke trend” zegt onze gastheer vol enthousiasme. “Want dat is wat je wil. Dat kinderen betrokken raken, en hun eigen ontwikkelingsproces vorm gaan geven“.

Ik kan het niet met hem oneens zijn. Maar wat is het verschil met vroeger? Met een kind dat een pas gelezen boek meeneemt in de klas? Met een kind dat uit een ietwat stoffige schoenen doos een aantal mooie stenen tevoorschijn tovert? Met een kind dat een koffertje van zijn overgrootvader uit de Tweede Wereldoorlog onder zijn arm draagt? Met een kind dat twee buttons toont, die hij kreeg bij een ballon festival?

steen_en_hand_blauwHet is erg verleidelijk om een tablet met app te zien als een wondermiddel. “Kijk eens wat ik heb kinderen! Hiermee gaan we het onderwijs erg mooi maken!” De voorbeelden die ik hierboven aandraag, komen allemaal uit mijn eigen onderwijspraktijk. Leerlingen uit mijn klas hebben dit daadwerkelijk gedaan. Er kwam geen korreltje digitaal om de hoek kijken. Toch was ook dit onderwijs op zijn best. Onderwijs, waarbij de kinderen een grote rol hebben. Onderwijs, waarbij de ervaring centraal staat en zij daar zelf hun vorm aan geven.

Advertenties
Geplaatst in Column, In de klas, Onderwijs en ICT, Overpeinzingen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Mannen gezocht!

In Schooljournaal 11 (07-06-2014) staat een oproep. Mannen gezocht! Want de man in het PO is steeds meer de spreekwoordelijke speld in de hooiberg. Daarom mogen we meedenken. Oplossingen bedenken. Op zich is daar niks mis mee. Maar in het eerdere onderzoek van CNVO werden ook suggesties genoemd waar wel iets mis mee is.
image

Er zouden aparte mannenklassen moeten komen.
Mannen zouden geen verplichte kleuterstage moeten doen.
Mannen houden niet van reflectieverslagen dus dat moet stoppen.
Dat soort ideeën gaat niet helpen.
Aparte mannenklassen zorgen voor verdeeldheid binnen de opleiding. Daarbij komt dat je later ook nog geen mannenschool wil. De oproep voor meer mannen is juist gericht op een betere afspiegeling van de samenleving in de personeelsbestanden van scholen. Een mannenklas staat haaks op deze voornemens.
Je wordt nu nog steeds opgeleid voor het beroep leraar basisonderwijs. Kleutergroepen horem daar bij dus een kleuterstage ook. Uiteraard heeft iedereen zijn voorkeur. Een brede kijk en kennis over de ontwikkeling van kinderen is wel belangrijk. Theorie is mooi, maar de praktijk maakt dit concreet. Het daadwerkelijk zien en observeren is nodig.
Het derde punt over reflecties schrijven is lastiger te beargumenteren. Ik geef toe, het was ook geen favoriet onderdeel van mijn studie. Maar een goede leraar moet kunnen reflecteren op zijn handelen. Alles wat jij doet, doet iets met je omgeving. Kwaliteit in reflecteren kan zorgen voor kwaliteit in onderwijs.
Zijn er dan argumenten te bedenken om de verplichte kleuterstage wel facultatief te maken? Natuurlijk. Je zou weer terug kunnen naar een aparte opleiding, zoals de oude kweekschool was. Verdieping via keuzemodules en masterstudies zijn ook legitieme opties. Maar zolang groep 1 en 2 onderdeel zijn van datgene waar je voor opgeleid wordt, dient de kleuterstage te blijven. Anders komt over vijf jaar wellicht de noodkreet dat de man in de kleutergroep terug moet.

Geplaatst in In de klas, Onderwijs en overheid, Pedagogische tact | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Overbruggen

Wekelijks heb ik op donderdag mijn ambulante dag. Over werkzaamheden heb ik dan weinig te klagen. Maar wat me wel tegenstaat de afgelopen weken, zijn de overdrachten met mijn collega. Dat ligt echter niet aan die collega.

Het zijn de kinderen die het onplezierig maken. “Ik moet er zo aan trekken om alles een beetje te laten lopen Martin. Het is gewoon echt niet leuk mee. Ze zijn wel heel enthousiast en betrokken, maar het duurt zo lang voor ze stil zijn. Ik kan instructies niet helemaal afmaken, laat staan een terugblik op de les. Ik kom gewoon niet toe aan mijn programma voor de dag“. Dat steekt me. Ik voel een vorm van teleurstelling. Want ik heb juist de afgelopen tijd er hard aan gewerkt om met de kinderen te praten over de omgang met elkaar. Hoe manage ik de verwachtingen die ik koester ten opzichte van hen? Wat mogen ze van mij verwachten in de week? Welke afspraken maken we met elkaar? Waar botsen de individuele wensen met het belang van de groep?

Het steekt me, dat de kinderen er niet in slagen om dit helder te krijgen. Hier hebben we veel gesprekken over gehad, en ik zag dat ze het zich eigen gingen maken. Maar het lukt dan blijkbaar toch niet.

Nu, na een paar donderdagen, die steeds iets moeizamer verliepen en dito overdrachten, sta ik voor de groep. We zijn terug van gym. De kinderen zitten in de kring. Ze kijken me aan. Ik draai de pen rond in mijn hand. Ze hebben al door dat er iets ‘aan de hand’ is, want een gesprek in de kring betekent dat het belangrijk is voor de hele groep. Ik besluit mijn woorden zorgvuldig te kiezen, en begin.

Gisteren hebben juf en ik gepraat over hoe de dag ging. We hebben naar het rooster gekeken, het werk wat gedaan is en over hoe alles verliep. En om eerlijk te zijn, was dat niet zo’n fijn gesprek. Want we vinden beiden eigenlijk wel dat het anders moet in de klas“. Ik zwijg even en kijk de kring rond. Alle kinderen luisteren. Maaike wiebelt wat op haar kruk, en Rob wriemelt zenuwachtig met het touwtje van zijn capuchon. “Gisteren was het niet zo’n leuke dag hier“. Instemmend gemompel, en Rob laat zijn touwtjes los. “Dat klopt meester, dat heeft juf ook al gezegd“. Ik knik hem bemoedigend toe, en reageer. “Inderdaad, fijn dat jij dat nog weet. Maar wat niet zo fijn is, is dat juf het eigenlijk niet zo leuk vindt om jullie les te geven als het zo gaat“.

Baf! Die zit! Maaike stopt prompt met wiebelen, het touwtje van Rob wordt weer ter hand genomen. Ik zie dat meerdere kinderen deze boodschap even moeten verteren. Dan zegt Els, “Ja maar meester. Jij vindt het gelukkig nog wel leuk om ons les te geven“. “Nou, heel eerlijk gezegd vind ik het niet zo leuk meer, als ik elke week dit soort gesprekken moet hebben met juf.

Baf! Die zit ook! En zelfs nog wel een stukje steviger. “Daarom wil ik dat jullie goed nadenken. Ik wil dat je nadenkt over wat er gisteren gebeurd is in de klas. Je let op je eigen rol, en je gaat bedenken hoe het zijn om voor je eigen klas te staan“. Het duurt even, maar dan worden de papiertjes verdeeld en zoekt iedereen zijn plekje. Vlot, snel, rustig, gestructureerd. Hier hebben we veel gesprekken over gehad. En ik voel een vorm van teleurstelling. Waarom lukt het nu dan wel? Het is juist de bedoeling dat ze de transfer maken. De vaardigheden en attitude die wij samen verkennen, moet ook doorgetrokken worden naar andere dagen, naar andere mensen en andere situaties. Tegelijkertijd voel ik ook trots, als ik zie hoe geconcentreerd en serieus de opdracht genomen wordt. Geen strafwerk, geen preek maar een reflectie om te kijken naar wat er anders zou kunnen en moeten in onze klas. Als ik vervolgens met de groep in de kring ga, neem ik de verhalen in. Ik scan ze snel, en zie dat het wel goed zit. Een deel van de antwoorden lijkt sociaal wenselijk, maar ze hebben echt naar hun eigen rol gekeken. Daarmee is de kous af. De kinderen hebben lesje wel geleerd.

Het echte lesje komt dan echter nog. Voor mij vooral. Want Sonja durft het aan, om mijn gedrag ook tegen het licht te houden. Ze schrijft het volgende:

Als ik voor mijn eigen klas zou staan, dan zou ik dat niet zo leuk vinden. Want bij meester krijgen we veel vrijheid om zelf dingen te doen. En een andere juf of meester trekt dan de touwtjes aan, en dat is wel een heel groot verschil. Dat is moeilijk om goed te doen dan.”

Baf! Die zit! En dit keer bij mij. Er komt een mengeling van gevoel bij mij. Het steekt ietwat, maar de trots en het vertrouwen overheerst. Trots dat Sonja het aandurft om dit te schrijven en in te leveren bij mij. Vertrouwen dat kinderen in mij stellen. Vertrouwen dat ze uiteindelijk die transfer wel weten te maken. Maar dat ze mij daar wel voor nodig hebben. Alleen is mijn rol dan anders dan ik in gedachten had. Waar ik eerst de ruimte gaf, en bleef praten om de kinderen te laten zien hoe ze zouden moeten handelen, vragen ze me nu om de ruimte juist iets in te perken. Ze vragen niet om meer vrijheid, ze vragen niet om minder vrijheid, ze vragen om overbrugbare vrijheid.

Geplaatst in Column, In de klas, Overpeinzingen, Pedagogische tact, Uncategorized | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Opzoeken en uitleggen

Vandaag een iets andere blog dan je wellicht gewend bent. Maar aangestoken door het digitale enthousiasme op de blogs van Frans Droog en Jeroen Smits ben ik verschillende activerende werkvormen aan het proberen in mijn klas. In het kader van ‘beter goed gejat dan slecht bedacht’ heb ik vandaag in groep 5 een werkvorm voor Nieuwsbegrip gedaan.

We lezen eerste gezamenlijk de tekst van de week, dit keer over Nuclear Security Summit in Den Haag.. Daarbij denk ik hardop, modelling van de tekst. Het gaat om het vinden van een samenvatting en dat betekent dat er ingedikt moet worden. Na het lezen en bespreken van de gevonden samenvatting, kregen de kinderen allemaal een groene en een rode kaart. Ze moeten twee vragen bedenken. De groene variant is makkelijker dan de rode. Want op de groene komt een opzoekvraag. Je kunt het antwoord dus letterlijk terug vinden in de tekst.

nieuwsbegripGisteren heb ik tijdens de verwerking van een les al geoefend met deze soorten vragen. Nu mochten de kinderen dus zelf aan het werk, en de herkenning en de link met gisteren was er gelijk. De rode kaarten zijn bedoeld voor diepere vragen, waarbij je meer denkwerk moet verrichten om het antwoord te vinden. Ferm, een jongen uit mijn groep, vertaalde dit als “Ja, dan moet je dus eigenlijk een antwoord geven, waarin je het een beetje uitlegt. Het is, zeg maar, een uitlegvraag”. Dat vonden we gezamenlijk een erg mooie term, dus die houden we erin.

Bovendien maakte die term het ook makkelijker voor andere kinderen om ook een “uitlegvraag” te verzinnen bij de tekst. Alle kaartjes zijn verzameld en hangen in het lokaal van @groep5schat. Een deel is al beantwoord, maar hier kunnen we mooi op terug grijpen.

Frans en Jeroen, bedankt voor de inspiratie. Mijn groep heeft er van genoten in ieder geval!

Geplaatst in In de klas, Lessen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Het verkeerde been

Een intrigerende tekst, dikke doei met de Cito. Die tweet kwam vrijdag in mijn timeline op Twitter. Renske Valk, hoofdredacteur van Van 12 tot 18, plaatste de tweet. Een muisklik later belandde ik op de site van RTL Nieuws, Dikke doei met de Cito | RTL Nieuws.

Look can be deceiving, en dat geldt dus ook voor titels en kopjes. Het bracht mij flink op het verkeerde been. Want het artikel bevatte andere informatie dan ik dacht. Het gaat over toetsen. Het gaat over falen, druk om te presteren en second opinions. “Wil je kind naar de havo, maar was de Cito-score te laag? Geen nood. Met een nieuwe toets kan gymnasium opeens weer een optie zijn” schrijft RTL. Ouders gaan soms naar een extern bureau om een tweede toets af te nemen voor hun kind. Dat dit een keuze is die ouders mogen maken, staat voor mijn buiten kijf. En in zoverre kan ik de reactie van Paul Rosenmöller ook wel volgen. Ouders moeten inderdaad doen wat zij denken dat het beste is voor hun kind.

Maar het shoppen met scores om maar op een zo hoog mogelijk niveau van onderwijs te komen, is juist een van de zaken die je niet wilt. Door te stellen dat een second opinion goed is, creëer je verschillende hellende vlakken. Allereerst maakt het de druk op kinderen onvoorspelbaar. Ze weten niet meer of hun handelen en de uitkomst goed is. Scoor je te laag, dan moet je een nieuwe toets doen. En wat gebeurt als je wel je uiterste best hebt gedaan, maar de score toch nog een beetje  te laag is? Moet je dan alsnog aan de bak. Kinderen moeten worden uitgedaagd om zich zelf te ontwikkelen, maar dan wel op een breed gebied. NIO en Cito meten daar slechts een beperkt deel van, dat wordt algemeen geaccepteerd. Door de second opinion aan te moedigen, maak je dat belang groter dan het is. Rosenmöller heeft als voorzitter van de VO-raad een bepaalde autoriteit bij het algemene publiek. Daar moet je niet licht mee om gaan.

Daar komt mijn tweede bezwaar om de hoek kijken. Goed onderwijs bespeelt drie domeinen: kwalificatie, socialisatie en subjectificatie. En goed onderwijs zorgt dat er een goede balans is in de pedagogische driehoek tussen ouders, leraar en kind. Een goede leraar ziet zijn leerlingen, de kinderen in zijn klas. Hij of zij verstaat de kinderen, met al kwaliteiten, talenten, valkuilen, uitdagingen en persoonlijkheden. Bovendien heeft hij de kinderen goed in het oog. Goed onderwijs betekent namelijk ook dat je je leerlingvolgsysteem op orde hebt. De Cito toets, of welke afsluitende toets ook,  is bedoeld als sluitsteen van dit LOVS. Als het goed is, komen hier geen verrassende dingen meer uit. En als het goed is, zijn zowel ouders als leraar als kind hiervan op de hoogte. Door de second opinion als goed te bestempelen, drijf je in mijn ogen een subtiele maar kleine wig tussen ouders en leraar. Bevalt het advies niet? Dan gaan we toch een deurtje verder?

Een second opinion lijkt zo logisch. Maar het illustreert hoe er in medische en economische termen over onderwijs gedacht wordt. In het Jaarboek van hetkind schreef Paul Verhaeghe hier een goed en lezenswaardig hoofdstuk over. De woorden die gekozen worden over een onderwerp, laten zien hoe we als maatschappij over dit onderwerp denken. Dat gebeurt vaak onbewust, omdat het om ons heen nu eenmaal ook gebeurt. Dat betekent dus ook dat dit gelijk verkeerd is. Maar door de bewoordingen die gebruikt worden, kan er een grote zweem van maakbaarheid, van beheersbaarheid over onderwijs komen. En dat is een grote misvatting. Onderwijs is geen kwestie van op knopjes drukken en er rolt een resultaat uit. Onderwijs is geen kwestie van een toets afnemen, en dat is dan je resultaat. Onderwijs is een samenspel tussen leraar en leerling, tussen volwassene en kind, tussen de school, de ouders en hun kind. Een goede afstemming tussen die drie mensen maakt dat iedereen zijn beste been voor kan zetten.

Geplaatst in Onderwijs en media, Onderwijs en toetsen, Overpeinzingen, Uncategorized | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Hoe de meester probeerde niks te zeggen

Sinds de aanleg van onze waterspeelplaat is ons schoolplein een nog rijkere omgeving geworden. Bij Tim en Max is vandaag de “doe het zelf wip” favoriet. Een oude, houten balk met een aantal dwarsplankjes erop gespijkerd. Als je hem oppakt, voelt hij zwaar. En wanneer je hem dan op de grijze eikenstam legt, heb je een schitterend speeltoestel. Adaptief buiten spelen, want het past zich precies aan aan wat jij doet.

doehetzelfwipTim en Max zijn al zo’n tien minuten bezig om met elkaar in balans te blijven. Een voetje wordt verzet, lichaamsgewicht verplaatst, het lukt allemaal. Zittend, hurkend, staand. Ik speel met de jongens mee. Dat voelt lekker, het kind in jezelf de ruimte geven. Bovendien voel ik een fijne verbondenheid met de jongens, die ook graag met mij de balk in balans willen houden. Ik heb er vandaag ook de ruimte voor, want op donderdag ben ik ambulant. Na een paar uur op een bureaustoel is dit erg prettig. Zo is buiten spelen bedoeld. Ontspannen, inspannen, actief en ontladen.

Als het tijd is om naar binnen te gaan, loop ik met een aantal leerlingen mee. Er zit wat zand in mijn schoen. Net als ik ga zitten op het bankje om dit eruit te halen, hoor ik een schreeuw bij de “doe het zelf wip” vandaan komen. Met zijn hand tegen zijn wang komt Max naar me toe. Dikke tranen biggelen over zijn wangen. Terwijl hij huilend vertelt, dat hij door Tim is geschopt, zoeken mijn ogen Tim al op. Die loopt met een verbeten tred naar de deur toe. Hij gaat tegen de muur staan, wachtend tot ik me bij de groep voeg. Ik neem beide jongens mee naar het kantoortje waar ik die dag werk.

Ik stel mijn eerste vraag. “Volgens mij ging het buiten niet helemaal goed?” En daarna houd ik mijn mond. Max steekt gelijk van wal. “Tim, ja die gaf mij een schop. En we waren daar gewoon aan het spelen. Toen schopte hij mij ineens”.

Tim reageert kortaf. “Dat is niet zo hoor”. Hij kijkt mij aan, met een norse blik. Beide jongens staan nog steeds. Ik zit op de stoel, met mijn handen rustig op mijn schoot. Ik moet me inhouden om niet aan de discussie deel te nemen. Ik ken de jongens, heb dit soort gesprekken gevoerd. Het is meestal de bekende soep, die niet zo heet gegeten wordt. Ik heb de neiging om er heel korte metten mee te maken, te zeggen dat ze elkaar met rust moeten laten. Maar kijkend naar hun lichaamstaal zie ik dat dat niet goed komt. De verbondenheid die ik voelde tussen Tim, Max en mij op het plein is er nu nog niet. Beide jongens staan nog steeds, naast elkaar maar met hun ruggen iets van elkaar af gedraaid.

Opnieuw zegt Max dat Tim hem uit het niets schopte. Tim reageert wederom kort. “Dat is niet zo hoor”. Nu reageer ik wel. “Volgens mij is er meer gebeurd, dan alleen dit.”

Beide jongens knikken, maar de verhalen en lichaamstaal zijn niet nog steeds niet afgestemd. Tim kijkt me opnieuw aan, iets minder nors. Ik weet me nog steeds stil te houden. Tim vertelt uiteindelijk dat hij op de hoge kant van de wip stond, dat hij de trommel hoorde die het einde van de pauze aangeeft, en dat hij van de wip afklom. Daarbij raakte hij de arm van Max. Die antwoordt dat hij nog gewoon even wilde spelen, en dat hij de trommel misschien niet helemaal had gehoord. “Echt wel hoor Max, die had je echt wel gehoord”, reageert Tim. “Ja maar, dan hoef je mij nog niet te schoppen”. “Dat heb ik ook niet gedaan. Ik klom naar beneden en toen raakte ik je arm”.

Gelukkig, het gesprek komt op gang, ik krijg alles ook wat beter op een rijtje en de jongens draaien letterlijk naar elkaar toe. Als ik dat laatste noem, en de jongens vraag om echt eens naar elkaar houding te kijken, giechelen ze een beetje. “Weten jullie nog hoe je net, een minuut of drie geleden, stond?” Tim en Max kijken me niet begrijpend aan. Ik laat ze zien wat ik bedoel, door de jongens te draaien. Ik maak letterlijk weer contact met ze, en zij ook met elkaar. Ik trek en duw wat aan de schouders van beide heren, zij kijken naar elkaar en lachen. De ontspanning die er op het plein was, lijkt weer terug te zijn. En om de draai richting elkaar door te zetten naar het perspectief van de ander, vraag ik nog even door.

“Zeg Max, kon het ook niet zo zijn dat Tim je helemaal niet schopte. Maar dat hij naar beneden klom, zijn evenwicht probeerde te houden en je toen raakte”? Terwijl ik dit voordoe, kijkt Max aandachtig. “Ja, dat zou wel kunnen ja”. “En Tim, wat zou er gebeurd zijn als je was blijven zitten?” “Dan was ik misschien alleen iets later binnen geweest?” “Dat denk ik ook ja. Enne, Max. Als jij nu gelijk toen je de trommel hoorde, naar de rij was gelopen, was dit toch ook niet gebeurd?” Beide jongens kijken elkaar aan, en lachen breeduit. De kwartjes zijn gevallen. “Ja hoor meessie, mogen we nu naar de klas?”

Geplaatst in Column, Pedagogische tact, Spel | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Golven

Het zijn van die berichten, die heel wat losmaken. Het Algemeen Dagblad berichtte over een leraar, die geschorst zou zijn omdat hij de arm van een jongen had vastgepakt. De leraar had ingegrepen in een pestsituatie. Inderdaad, geschorst zou zijn. Want uiteindelijk bleek het niet waar te zijn. Vandaag gaf de openbare basisschool West een persbericht uit, waarin ze duidelijkheid gaven over de gang van zaken.

De vork blijkt toch wel anders in de steel. De golven van verontwaardiging die door Nederland raasden, zijn ontstaan door iets wat niet klopt. Het laat op deze manier eens te meer zien hoe belangrijk het is om informatie dubbel te checken. Ik heb me zelf er ook schuldig aan gemaakt, door het bericht op Twitter te delen. Erger vind ik het eigenlijk hoe er gereageerd wordt over de jongens die gepest zouden hebben. Zonder hier van de hoed of de rand te weten, wordt hier over kinderen geoordeeld. Hard aanpakken is dan nog een van de mildere oordelen die uitgesproken wordt.

hrm-in-het-onderwijs-verbondenheid-2De jongens moesten maar verwijderd worden. Dat klinkt stevig, daadkrachtig, maar wat los je daarmee op? Natuurlijk mag er niet gepest worden, en is het oneerlijk als kerels van een jaar of vijftien kinderen van negen gaan plagen. Een stevige reprimande is dan ook wel logisch, dat zou ik waarschijnlijk ook wel doen. Maar het volledig ontkoppelen van kinderen en jongeren zal averechts werken.

Een voorbeeld. Ons schoolplein is erg in trek bij onze kinderen. Het is ook erg in trek bij kinderen uit de buurt. Zo speelt er, samen met een leerling uit mijn klas, een jochie uit de buurt wel eens op het plein. Laten we hem Jim noemen. Jim heeft het niet makkelijk thuis, zo vertelde de leerling uit mijn klas me wel eens. En toen Jim vlak na schooltijd op ons plein speelde, werd hij verwijderd van het plein. Hij had daar in principe ook niks te zoeken. Het plein was op dat moment bedoeld voor de buitenschoolse opvang. Jim werd echter zo boos, dat uiteindelijk de politie er bij kwam.

De dag erna hebben we het met de klas er ook gehad. Een aantal kinderen had het gezien. En terwijl dit gesprek duurde, werd het verhaal groter. En hoe groter het verhaal werd, hoe meer ik voelde dat mijn klas zich verwijderde van ‘die jongen’.

Zo makkelijk als het daar ging, lijkt het ook te gaan met ‘die pestkoppen’ uit het verhaal. Zo makkelijk werd er geoordeeld over de directeur, die zijn leerkracht niet steunde. Maar die oordelen zijn gebaseerd op een stukje informatie. De rest lag onder water, onzichtbaar onder de woeste golven van emotie. En wanneer die de overhand heeft, raakt je blik vertroebeld en is het lastig om zuiver te oordelen.

Mijn klas kwam uiteindelijk terug bij ‘die jongen’. Dat gebeurde toen ik heel bewust zijn naam noemde. Dat gebeurde toen ik heel bewust Daniel, zijn vriendje, onze klasgenoot, liet vertellen wat hij wist over de thuissituatie. Het maakte voor de kinderen duidelijk dat er achter het verhaal van ‘die jongen’, die schoppend, krabbend, bijtend en spugend van het plein verwijderd werd, veel meer zat dan aan de oppervlakte duidelijk was. Door die kleine stap met kinderen te zetten, konden zij hun oordeel bijstellen. Zullen wij, als volwassen mensen, dat ook proberen te doen?

Geplaatst in In de klas, Onderwijs en media, Overpeinzingen | Tags: , , , | 1 reactie

En opnieuw is de vraag, wat is goed onderwijs?

In tijden waarin er veel over onderwijs gezegd wordt, maar niet altijd met het onderwijs gepraat wordt, zijn dit de minder fijne berichten. De Volkskrant berichtte begin februari over het CPB onderzoek naar de Kwaliteitsaanpak Basisonderwijs Amsterdam. De korte conclusie van het CPB was, dat Amsterdam dus jaarlijks 3,5 miljoen euro heeft geïnvesteerd in een plan dat vooral vertragende effecten heeft gehad op de ontwikkeling van de toetsresultaten.

Natuurlijk is er daarna het over en weer gooien van argumenten. Verschillende groepen op een hoop, het is wel degelijk een succes, het CPB meet kwaliteit af aan Cito scores terwijl het breder is, sommige scholen zijn meegenomen in het onderzoek maar doen niet mee met de KBA, en ga zo maar even door.

vraagMaar tussen al deze verbale kruitdampen door, lijkt er weer de vraag omhoog te komen, wat is goed onderwijs. Pieter Hilhorst, wethouder in Amsterdam, zegt terecht dat onderwijs meer is dan alleen een toetsscore. Je moet dingen leren in het onderwijs, zeker. Personificatie en socialisatie zijn echter ook belangrijk. In het boek ‘Het Alternatief’ wordt hier door Gert Biesta op een boeiende manier over verteld. Rene Kneyber, een van de auteurs van Het Alternatief, schreef er een uitstekende blog over. Uit beide verhalen blijkt dat de vraag wat nu goed onderwijs is, eigenlijk nooit echt beantwoord is. Je moet dat gesprek gaande blijven houden.

Balans tussen de drie domeinen, kwalificatie, socialisatie en subjectificatie maakt goed onderwijs. En die balans is precair. Die balans is ook iets wat gezocht moet worden door een team van leraren. Daar heb je ruimte voor nodig, om met elkaar het gesprek te voeren. Wat vinden wij belangrijk om onze kinderen mee te geven? En hoe willen we dat gaan bereiken? En als we dat uiteindelijk helder hebben, wat gaan we dan concreet doen? Wat doen we, als we eenmaal bezig zijn?

Natuurlijk zijn toetsen en de bijbehorende scores ook nodig. Daar ging het ook tijdens de debatmiddag bij Cito over. Maar een score is alles wat er te zeggen is. Hartger Wassink berichtte in zijn blog al, dat de nuance snel verloren zal gaan buiten de muren. De oneliners regeren, en het gesprek over onderwijs spitst zich al snel toe op de scores en alles wat daar mee samenhangt. Zolang we binnen het onderwijs samen niet goed verwoord krijgen, wat wij goed en waardevol vinden, zal de politiek ruimte nemen om het voor ons te beslissen. Dan zal inderdaad een extern bureau een programma uitrollen, wat vervolgens vanuit financieel oogpunt bekeken wordt. Er is geld ingestopt, wat heeft het opgeleverd?

Op die manier kijken naar onderwijs wil niemand. Hopelijk zullen de mensen die het vorm geven gezamenlijk een tegengeluid laten horen. Zullen we beginnen met een kopje koffie, in de personeelskamer, morgenochtend?

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

Duwtje

Op vrijdag is het iets rustiger op het plein tijdens de koffiepauze. Twee groepen bij de gym, dat maakt dat er nog twee groepen van de middenbouw op het plein zijn. De wijzers op mijn horloge wijzen vier over tien aan. Ik kijk even rond, zie alle kinderen spelen, rennen, ravotten. Bij de pannakooi wordt lekker gevoetbald, een paar meiden zit op het bankje. Ik zou iets van tikkertje gaan spelen, want het is nogal fris. Maar goed, dat mogen ze zelf weten. Om op te warmen, haal ik een kop koffie op uit de keuken.

Terwijl ik mijn vingers warm rond het kopje, loop ik het plein op. Het potje voetbal bij de pannakooi trekt een aantal toeschouwers. Er wordt goed gevoetbald, over en weer wordt wat geduwd, maar het gebeurt met wederzijds respect. Mark houdt het na een tijdje voor gezien. Hij geeft Anke een tik op haar schouder, roept ‘jij bent ‘m’, en rent weg. Anke haalt hem snel in, en nu is Mark de jager.

stampen_in_waterplasDe bal wordt de pannakooi uitgeschoten, richting het grasveldje op het plein. Een snelle blik van Mark naar Anke en weer terug, is het startsein voor een sprintwedstrijd naar de bal. Ze rennen langs mee heen, in volle vaart. En dan gaat het mis. Uit mijn ooghoek zie ik dat Anke in een plas valt. Het modderige water spettert op haar jas, en haar handelsmerk, haar pet, vliegt van haar hoofd. Even blijft het stil, maar dan komen er toch tranen. Ik zie dat Mark schrikt van het gebeuren. Ik loop op ze af, en vraag wat er is gebeurd. Zelf heb ik het niet helemaal goed gezien, dus hun oordeel wil ik meenemen.

‘Mark duwde mij in de plas, terwijl we aan het rennen waren! En nu ben ik helemaal na-hat!’ huilt Anke. ‘Niet!’ bijt Mark van zich af. ‘Ja hoor, dat deed je wel. Dat heb ik echt zelf gevoeld, met mijn eigen lijf’. ‘Nee hoor, echt niet! Ik heb dat niet gedaan!’. Ja wel, welles hoor. Jij deed dat wel’. En terwijl Anke haar laatste beschuldiging uit, verstrakt het gezicht van Mark. Hij draait zich om, en loopt weg.

Bliksemsnel grijp ik hem bij zijn mouw, en trek hem terug. Nu is het mijn beurt om kort en fel te reageren. ‘Oh nee, dit doe je niet. Anke is in de plas gevallen, jij was er bij, dus dit los je samen op. Je loopt niet weg!’ Mark kijkt me boos aan, maar besluit wel te blijven staan. Anke vertelt nogmaals dat ze aan het rennen waren, richting de bal en dat Mark haar toen duwde. Ik vraag ‘wat heb jij daar op te zeggen?’ Mark bromt ‘ik duwde haar niet in de plas. Ja, ik heb haar wel geduwd. Maar niet in de plas, dat was niet mijn bedoeling’. Tot mijn verbazing bevestigt Anke dit. ‘Ja, dat snap ik wel. Jij duwt eigenlijk nooit kinderen in een plas. Dat vind je zelf ook niet leuk’. Blij verrast kijkt Mark Anke aan. ‘Meester, mogen we samen naar binnen om haar kleren een beetje droog te maken’.

De dagen daarna merk ik dat Mark opener op mij reageert. Het duwen en trekken van die dag heeft hem geholpen. Je zou het een ‘defining moment’ kunnen noemen. Mark voelt vanaf die dag heel duidelijk waar voor mij de grens ligt. En die ligt bij het weglopen voor je verantwoordelijkheden. Natuurlijk vind ik het jammer dat het spel dat de twee samen spelen, letterlijk in het water valt. Maar door wel te praten over wat er gebeurde, kregen we met ons drieën helder waar het echt om ging. Mark was het niet eens met datgene waarvan hij beschuldigd werd. Hem werd onrecht aangedaan. Als hij was weggelopen, hadden we het kleine verschil tussen ‘duwen’ en ‘in de plas duwen’ misschien niet gevonden. Nu was er ruimte om het gezamenlijk op te lossen. En dit werd, zonder verder overleg, door Anke op een subtiele wijze opgelost.

Soms is er alleen een klein duwtje nodig.

Geplaatst in Column, In de klas, Pedagogische tact, Spel | Tags: , , , , , | 1 reactie

Koffieleuten bij Cito

Met badge nummer 811 staand in de lobby, werd ik welkom geheten door Liesbeth van Listenburg. Ik was op uitnodiging van Cito bij een (hopelijk eerste) ‘edubloggersmiddag’. Rond onderwijs in het algemeen, en toetsen en Cito in het bijzonder, wordt veel gevonden en geroepen. Zeker ook op social media, en dat was de reden voor hen om enkele mensen uit te nodigen. Hartger Wassink, een van de andere aanwezigen, schreef daar gisteren al een goed en lezenswaardig blog over.

Marten Roorda, CEO bij Cito, gaf gisteren een korte presentatie over zijn bedrijf. Hij noemde daarbij ook de missie die het toetsinstituut zichzelf gesteld heeft:

Cito helpt je inzicht te krijgen in je ontwikkeling en mogelijkheden. Door kennis, vaardigheden en competenties objectief meetbaar te maken en de ontwikkeling ervan te volgen, kun je het beste uit jezelf halen, verantwoorde keuzes maken en beter richting geven aan je toekomst.

De vraag, die Hartger formuleerde, ligt in het verlengde hiervan. Wat is de pedagogische verantwoordelijkheid die Cito voelt? Een lastige vraag, zo bleek ook uit het enigzins aarzelende antwoord van Marten. En daar wringt het voor mij. Het schuurt, want in mijn ogen heeft Cito wel degelijk een pedagogische verantwoordelijkheid. Waar de belangen van kinderen in het spel komen, is er altijd een pedagogische verantwoordelijkheid. Cito speelt hier een grote rol in. Aan hun Eindtoets basisonderwijs is ongewild een zwaar gewicht komt te hangen. Ooit bedoeld om sociale ongelijkheid tegen te gaan, heeft het instrument nu een waarde gekregen die er niet bij past. Het wordt gebruikt als middel om ranglijsten te maken, om kinderen te vergelijken met elkaar. Daar ligt wel degelijk een stuk waar Cito iets mee moet.

De vraag dient zich dan wel op, welk deel van Cito? Zoals in het artikel in Didactief te lezen is, zijn er twee Cito’s. Een stichting en een B.V.. De Stichting Cito produceert examens en de eindtoets basisonderwijs. Cito B.V. houdt zich bezig met de markt, en verkoopt de toetsen voor het LOVS en oefenboekjes. Ook zijn er banden met externe bedrijven als Squla, Ambrasoft en Oefenweb. Door die banden komt materiaal beschikbaar dat “voorziet in een behoefte om kennis te maken met de soort vragen die Cito stelt”. Gevolg is echter wel dat de cultuur om hoog te scoren in stand gehouden wordt, de waarde en het gewicht dat aan de toets gehangen wordt erg groot blijft en zo is het cirkeltje weer rond.

Marten gaf aan de Cito meer richting formatief toetsen wil, toets om het leren te bevorderen. In de presentatie werd het ‘toetsgestuurd leren’ genoemd. Waar ik erg blij wordt van de beweging richting formatief toetsen, klinkt toetsgestuurd leren voor mij te veel als ‘de toets staat centraal’. Er is natuurlijk niks mis met het behandelen van stof die gevraagd wordt op een examen. Leerlingen moeten een eerlijke kans krijgen, de samenleving heeft er recht op dat jongeren die afstuderen daadwerkelijk mee kunnen in de maatschappij, en vice versa. Maar het leren gaan sturen in de richting van een toets, zal er voor blijven zorgen dat de toets te belangrijk blijft. Toets geïnformeerd leren, laten we het dan zo noemen, riep ik gisteren.

En dan komt toch opnieuw weer het woord ‘verantwoordelijkheid’ boven drijven. Dit keer echter ligt die bij de mensen op de vloer, de leraar, ik dus. Natuurlijk moet er getoetst worden. Op onze school hanteren wij het leerlingvolgsysteem van Cito. Volgend schooljaar moet er een centrale eindtoets afgenomen. Dat zal waarschijnlijk geen product van Cito zijn, maar de NIO-toets. Feit blijft dat je hier mee te doen hebt. Feit blijft dat je toetsen afneemt. Feit blijft ook dat jij de leraar bent je klas, dat jij je leerlingen kent. Jij kunt de resultaten op de toetsen duiden en weet wat je moeten doen om het leren verder te helpen. Laat je dus informeren door de toets. Want jij bent degene die het in de klas moet doen.

Tot slot,ik hoop dat Cito dit soort bijeenkomsten vaker gaat organiseren. Zelf geven ze al aan op hun site dat Cito integer wil zijn in gedrag en in handelen. Daarbij kijken wij kritisch naar onszelf en naar anderen. Voorop staat dat wij betrouwbaar zijn, recht doen aan betrokkenen en dat we daarbij de ander eerlijk en respectvol tegemoet treden. Een oprechte dialoog over het gebruik, het belang en de impact van ‘de toets’ is in het belang van iedereen in het onderwijs.

Geplaatst in Onderwijs en toetsen, Overpeinzingen | Tags: , , , , | 5 reacties